Grieks en Latijn, de zogenoemde Klassieke Talen, zijn op een gymnasium verplichte vakken. In de onderbouw volgen de leerlingen Grieks en Latijn.
In klas 4 en 5 krijgen de leerlingen ook KCV: klassieke culturele vorming. Hierbij leert de leerling in vogelvlucht (nogmaals) over de geschiedenis van de Romeinen en Grieken en wordt dieper ingegaan op bijvoorbeeld (bouw)kunst of filosofie, al dan niet aan de hand van authentieke teksten in vertaling.

In klas 3 kiezen de leerlingen of ze in Grieks of Latijn eindexamen gaan doen. Natuurlijk is het mogelijk om in beide klassieke talen eindexamen te doen, maar de meeste leerlingen kiezen één van deze talen in de bovenbouw. Het leren van de Klassieke Talen heeft een aantal voordelen: de leerling leert sterk analytisch denken door het vertalen van Grieks en Latijn en dat is ook handig bij andere vakken, zoals de bètavakken. Een Latijnse of Griekse zin kan bijvoorbeeld vergeleken worden met een wiskundesom: eerst moet de leerling heel goed puzzelen, voordat de uitkomst, dat wil zeggen een mooie zin, duidelijk wordt. Dat vraagt best wat van het denkvermogen. En dit leidt weer tot aantoonbaar betere resultaten bij een vervolgopleiding, die de meeste van onze leerlingen aan de universiteit zullen volgen.
Daarnaast is Latijn de basis van veel moderne talen, die daardoor makkelijker aangeleerd kunnen worden. Natuurlijk leren de leerlingen niet alleen vertalen, maar krijgen zij ook inzicht in de rijke cultuur en geschiedenis van de Grieken en Romeinen. Hierdoor leren ze onze eigen Westerse beschaving beter begrijpen. Beeldende kunst, architectuur, drama, filosofie en politiek worden in hun huidige vorm immers gemakkelijker te begrijpen met kennis van de bronnen waaruit ze zijn voortgekomen. De kennis van de klassieke oudheid staat niet als los pakket naast de andere vakken, maar wordt ermee verweven.
Voor ouders wordt er door de sectie Klassieke Talen eens in de twee jaar een cursus Grieks voor beginners georganiseerd.